En toch…

Onlangs had ik een korte mailwisseling met een collega die weken uitgeschakeld was door corona. Ik realiseerde me nog maar eens, dat als het zó dichtbij komt en als je lijf je werkelijk in de steek laat, het best wel makkelijk kan klinken wanneer iemand zegt: “God is er bij!”

Leestijd: 3-4 minuten

Op zulke momenten wordt je heen en weer geslingerd tussen hoop en vrees. Zoals deze collega schreef: “Ik heb zelf ervaren in deze tijd van ziekte, dat ik me aan de ene kant vastklampte aan God en aan de andere kant ook zo geplaagd werd door angst en onzekerheid.’’ Uit eigen ervaring weet ik dat als het er op aankomt en je lichaam het af laat weten, of de gedachte aan de dood ineens angstaanjagend dichtbij komt, het een heel ander verhaal wordt dan wanneer je op zondag in de kerk ‘glorie, halleluja’ zingt, als alles goed gaat. Je kunt geloven dat je in de hemel komt, maar dat betekent niet dat je dood wilt, of erg wilt lijden.

En toch… Als we God en de hoop op Hem niet zouden hebben… Te weten dat God in controle is en dat je in Zijn handen bent, geeft rust. Zelfs al ga ik door een dal van diepe duisternis, ik vrees geen kwaad, want U bent bij mij. Uw stok en uw staf, die troosten mij (Psalm 23:4). Dat gaat diep, want wandelen in zo’n dal is niet leuk. Diepe duisternis: dan zie je dus geen uitweg meer. De profeet Habakuk praat in vergelijkbare zware termen als hij (in Hab. 3:17-18) zegt:

Al zal de vijgenboom niet bloeien,
al zal de wijnstok niets voortbrengen,
al zal de oogst van de olijfboom tegenvallen,
al zal er geen koren op de akkers staan,
al zal er geen schaap meer in de kooien zijn
en geen rund meer binnen de omheining –
toch zal ik juichen voor de HEER,
jubelen voor de God die mij redt.

En toch

Grote rampspoed en toch is er een ‘toch’. Dat moet te maken hebben met die vrede waar Jezus het over had in Johannes 14 (zie mijn vorige bericht); een vrede die niet van deze wereld is. Dat klinkt misschien zweverig, of happy clappy, of goedkoop. Maar dat is het niet. Ik ken mensen (en jij kent ze waarschijnlijk ook) die door diep lijden gaan of zijn gegaan, die daar broodnuchter over zijn en die tóch (daar heb je weer die ‘toch’) een vuurtje in de ogen hebben branden. Mensen die dwars door de stormen van het leven heen, hun geloof hebben behouden. Soms zijn ze getekend door het lijden, maar toch stralen ze iets uit van vrede en blijdschap. Dat komt omdat ze vasthouden aan de beloften van God.

Pas zag ik weer zo iemand op YouTube; ik stuitte op een fragment uit een interview op CNN. Stephen Colbert is een bekende Amerikaanse komiek en zo’n typische, snelle talkshow host. Maar hij is ook een diepgelovig mens. Als tienjarig jongetje maakte hij iets traumatisch mee; hij verloor zijn vader en twee broers bij een vliegtuigongeluk. Zijn gesprekspartner, journalist Anderson Cooper, verloor eveneens op tienjarige leeftijd zijn vader en later een broer. Beide mannen praten over verlies en rouw en over hoe dat hun levens getekend heeft. Het is een persoonlijk, bijna intiem gesprek dat zich ontvouwt. Op een gegeven moment breekt Cooper. Hij vraagt aan Colbert. “Jij schijnt gezegd te hebben: Welke straffen van God zijn geen geschenken? Geloof je dat echt?” Colbert antwoordt bevestigend. Die uitspraak is overigens een quote van J.R.R. Tolkien (schrijver van Lord of the Rings). Maar hij legt dan vervolgens ook uit, waarom hij dat gelooft.

Lijden als geschenk

Volgens Colbert is het een geschenk dat je bestaat. Maar bij het bestaan hoort ook lijden. Daar kun je niet aan ontsnappen. Natuurlijk wilde hij niet dat er gebeurde wat er gebeurd is. Hij wilde dat het niet gebeurd was. Maar als je dankbaar bent voor het leven (“en dat ben ik niet altijd”, voegt hij er eerlijk aan toe), dan moet je dankbaar zijn voor alles daarin. En vervolgens legt hij uit dat zelfs zoiets moeilijks als verlies, op de lange termijn iets goeds kan uitwerken. Bijvoorbeeld, dat verlies er voor kan zorgen dat je je bewust wordt van het verlies van andere mensen. Daardoor ben je meer in staat om je met die ander te verbinden, die ander meer lief te hebben en beter te begrijpen wat het betekent om mens te zijn – omdat alle mensen lijden. Dat maakt dat hij dankbaar kan zijn voor het lijden dat hij heeft meegemaakt. Het heeft hem een beter mens gemaakt. En, voegt Colbert er aan toe, in mijn (christelijke) traditie, sta je er niet alleen voor. Zelfs God lijdt, stelt hij, verwijzend naar het offer van Jezus.

De dalen in het leven zijn soms diep, duister, onbegrijpelijk en angstaanjagend. Toen ik twee jaar gelden zelf ziek was en geconfronteerd werd met de mogelijkheid van lijden en dood, klampte ik mij vast aan God. Dat betekende niet dat ik niet bang was. Maar ik heb ervaren dat Hij er was. Toen ik weer beter was, was ik enorm dankbaar voor het leven en  voor de nieuwe kans die ik gekregen had. Je beziet de wereld plotsklaps door een andere bril. Het was een zware periode, een ‘dalervaring’, maar toch had ik het niet willen missen. Ik heb er veel van geleerd en veel door gekregen.

Zoals onze collega het treffend verwoordde in de mailwisseling die we hadden: “Ik dank God dat Hij mij er doorheen gesleept heeft en ik weer kan ademhalen (letterlijk!) – wat een Zegen. Alles wat adem heeft, love de Heer!” (Psalm 150)

Ik zal niet (te erg) wankelen

Maar dat is achteraf. Als je in het dal bent of in de storm, dan voelt het anders. Er is een mooi en geliefd Opwekkingslied, Stil, Mijn Ziel, Wees Stil (717). Het lied is een verwijzing naar Psalm 62. In vers 2 en 3 staat daar:

Zeker, mijn ziel is stil voor God;                                                                                           van Hem is mijn heil.                                                                                                            Zeker, Hij is mijn rots en mijn heil,                                                                                   mijn veilige vesting;                                                                                                                    ik zal niet al te zeer wankelen.

In vers 6 en 7 staat:

Zeker, mijn ziel, zwijg voor God,                                                                                       want van Hem is mijn verwachting.                                                                              Zeker, Hij is mijn rots en mijn heil,                                                                                   mijn veilige vesting;                                                                                                                    ik zal niet wankelen.

Bijna hetzelfde, als een zich herhalend refrein. Maar er is één klein verschil. Je leest er zo overheen. In het tweede gedeelte staat: ik zal niet wankelen. Maar in het eerste gedeelte staat: ik zal niet al te zeer wankelen. Soms zijn er momenten dat je niet wankelt. Je hebt vaste grond onder de voeten. Ook al stormt het, je staat op de Rots en je wankelt niet. Maar er zijn ook momenten in het leven dat je wél wankelt. Dat het bijna teveel wordt. En toch (weer die ‘en toch’): ik zal niet al te zeer wankelen.

In Gods hand

Waarom niet? Omdat God erbij is. In het dal van diepe duisternis; in de storm; als er geen vrucht meer aan de wijnstok is. God lijdt mee en God leidt mij, met Zijn stok en staf. Nog steeds kom ik wel eens in het Ikazia Ziekenhuis. En altijd kijk ik dan even naar het plakkaat dat daar in de muur bevestigd is, met de tekst uit Psalm 31:16: erop geschreven: Mijn tijden zijn in Uw hand.

Als je dat geloof en die troost niet kent in deze woelige tijden, dan mis je toch wat? Ik wil en kan niet zonder in ieder geval. Want soms, dan wankel ik. Maar dan kijk ik naar Jezus, die aan een kruis hing voor mij. Groter liefde is er niet. En ik weet: zelfs al zou ik vallen, dan nog val ik in Gods hand.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *